Ruimte voor groei

Voor het realiseren van de doelstellingen uit onze ondernemingsstrategie is het van belang dat er voldoende ontwikkelruimte beschikbaar is die aansluit op de marktvraag (korte en lange termijn).

Er ontstaat ruimtelijke dynamiek door de uitstroom of beëindiging van een aantal bestaande bedrijven en de instroom van nieuwe bedrijven. Daarnaast verwachten we dat veel nu gevestigde bedrijven nieuwe activiteiten ontplooien en zo meebewegen met de ‘haventransitie’. De hoeveelheid beschikbare ruimte is volgens de huidige inschatting voldoende, mits de gebruiksmogelijkheden en beschikbare en eventueel vrijkomende ruimte zoveel mogelijk aansluiten op de toekomstige marktvraag. De onzekerheid rondom nieuwe business en de verwachte ruimtelijke dynamiek vragen om flexibiliteit in gebruiksruimte. Daarom investeren we in voorzieningen door bestaande gebieden te herstructureren en te moderniseren. Een voorbeeld hiervan is de herstructurering van de voormalige ECT Home Terminal in de Eemhaven tot hub voor shortsea in combinatie met Coolport en cross docking, waar we samen met het bedrijfsleven aan werken. Ook het intensiveren van ruimtegebruik is belangrijk. Het Havenbedrijf Rotterdam kijkt samen met klanten die bestaande assets en ruimte onderbenutten naar oorzaken en oplossingen, zoals het terugnemen van minder gebruikte terreinen.

Beschikbare ruimte

Van de 6.046 hectare aan beschikbaar havenareaal (inclusief Maasvlakte 2 en Zeehaven Dordrecht) was eind 2017 5.141 hectare uitgegeven aan klanten, 273 hectare in optie uitgegeven en 118 hectare gereserveerd voor potentiële uitgiftes. Circa 514 hectare is nog uitgeefbaar. Maasvlakte 2 biedt bovendien de mogelijkheid tot het creëren van nog circa 609 hectare extra aanvullende ruimte. Echter, door de én-én strategie blijft ruimte de komende jaren schaars.

Herstructurering Waal-Eemhaven

De herstructurering Waal-Eemhaven komt langzaam fysiek op gang. In 2017 werkten we aan de voorbereidingen, engineering en commerciële contracten. Tijdens de uitvoering in 2018 ontstaan nieuwe kades, een nieuwe gate en een nieuwe interne baan. Alles in nauwe samenwerking met de gebruikers en containerterminals. In 2017 gebeurde ook al het nodige. Het empty depot Kramer is verplaatst van de Reeweg naar de Perniszijde van de terminal, het empty depot MRS is verplaatst van pier 5,6 naar de City terminal en Coolport, één van de grootste koelloodsen in Europa, is operationeel gegaan.

Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet treedt naar verwachting op 1 januari 2021 in werking. Hierdoor verandert de huidige wet- en regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving fors, denk aan de mogelijkheden voor het bouwen van objecten, het milieu, en de ruimtelijke ordening. De gemeenten in de regio krijgen meer verantwoordelijkheid voor het vastleggen van hun integrale visie op de leefomgeving en de ruimtelijke ontwikkelingen. Door het omgevingsbeleid in regionaal verband vooraf goed af te stemmen, wordt voorkomen dat er nieuwe (lokale) knelpunten ontstaan. De impact van een ruimtelijke ontwikkeling houdt immers niet op bij de grens van een gemeente (en voor sommige milieuaspecten zelfs de provincie). De nieuwe wet biedt ook kansen voor de ontwikkeling van de mainport. Zo zijn we samen met de gemeente Rotterdam en de provincie Zuid-Holland een pilot voor Maasvlakte 2 gestart om de mogelijkheden voor een koepelconcept in het Rotterdamse haven- en industriegebied te onderzoeken en vorm te geven. Middels het koepelconcept beogen we de beschikbare milieugebruiksruimte slimmer toe te delen en te beheren, zodat meer duidelijkheid voor het haven- en industriecomplex en voor de omgeving ontstaat. Met het koepelconcept willen we ook het proces van vergunningverlening, toezicht en handhaving optimaliseren.

Lees meer over het beperken van emissies onder Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Gelijk speelveld

In Europa bestaat er nog geen gelijk speelveld voor financieringen van zeehavens. Veel concurrerende zeehavens ontvangen een of meerdere vormen van financiële ondersteuning door overheden. Zeker door het wegvallen van de vrijstelling voor Nederlandse zeehavens van de vennootschapsbelasting vanaf 2017 is de achterstand ten opzichte van andere zeehavens toegenomen. Het nieuwe kabinet-Rutte III erkent deze problemen en zet zich in om de concurrentiepositie van de Nederlandse zeehavens te verbeteren. In het regeerakkoord staat dat een ‘herbezinning op de kostentoerekening van infrastructuur ervoor moet zorgen dat de Nederlandse havens weer een gelijke uitgangspositie krijgen ten opzichte van havens in de buurlanden.’ Ook in de Maritieme Strategie verschijnt een nieuw werkprogramma Zeehavens waarin maatregelen staan opgenomen. Dit omvat onder andere het herzien van bijdragen aan Rijksinfraprojecten, het aanpassen van het tarief voor het spoorgoederenvervoer, het verlagen van de inspectielasten, het EU-breed toepassen van emissie-eisen voor zeeschepen en het bijstellen van het doorberekenen van inspectiekosten aan bedrijven. Deze maatregelen moeten in deze kabinetsperiode nader worden uitgewerkt om zo bij te dragen aan een gelijker speelveld en daarmee aan versterking van het vestigingsklimaat.

Daarnaast startte het Havenbedrijf Rotterdam bij het Europees Hof van Justitie een zaak om bezwaar te maken tegen het ongelijke speelveld. Andere zeehavens werden door de Europese Unie niet verplicht vanaf hetzelfde moment vennootschapsbelasting te betalen. Deze zaak diende in oktober. De uitkomst wordt medio 2018 verwacht. Inmiddels heeft de EU aangegeven dat ook de zeehavens in België en Frankrijk Vpb-plichtig worden, de beide lidstaten hebben tegen dit besluit bezwaar aangetekend.

Bevorderen van het investeringsklimaat in het Rotterdamse haven- en industriegebied

In opdracht van het InnovationQuarter, provincie Zuid-Holland en het Havenbedrijf Rotterdam is in kaart gebracht welke financiële instrumenten in Nederland en omliggende landen aanwezig zijn voor het aantrekken van investeringen. Uit het rapport komt naar voren dat wat betreft het aantrekken van private investeringen door bedrijven er een redelijk gelijk speelveld tussen de verschillende landen bestaat. Belangrijkste verschil in het financieel instrumentarium tussen de havens is het verschil in focus. Hamburg en Nederlandse havens richten zich meer op capex instrumenten. Antwerpen en Le Havre bieden een breder portfolio aan regelingen. Daarnaast speelt het proces en tempo waarin een haven tot een aanbieding komt ook een rol. Dit lijkt per regio en casus te verschillen. Het rapport kenschetst Rotterdam en Antwerpen als snel, betrokken en effectief.
Een blijvend aandachtspunt is de beperkte transparantie van de totale kosten van vestiging, waardoor de perceptie van bedrijven in de haven over de hoogte van deze kosten verschillend kan zijn. Meer inzicht in de vestigingskosten, ‘value-for-money’ en aanwezige financiële instrumenten in Rotterdam, geven de klanten een beter beeld waar ze aan toe zijn en hoe dit in verhouding staat tot concurrerende vestigingslocaties.

Expertise rondom regelgeving als vestigingsfactor

Het aantrekken van nieuwe bedrijven vraagt ook om een lokale, regionale en nationale overheid die welwillend bedrijven verwelkomt en faciliteert. Woon- en onderwijsvoorzieningen, een arbeidsmarkt die aansluit op de vraag en een goede en snelle regelgeving zijn van belang voor bedrijven zich gaan vestigen in een sterk competitieve markt. Zeker op het gebied van vernieuwende bedrijven is het aanbod van vestigingsplekken groot. De gemeente Rotterdam, Rotterdam Partners, InnovationQuarter en het Havenbedrijf Rotterdam hebben dit jaar een advies laten opstellen over hoe Rotterdam een aantrekkelijker vestigingsklimaat kan ontwikkelen.
Het aantrekken van nieuwe vormen van bedrijvigheid rondom energie en chemie vraagt om een vergunningsinstantie die voldoende expertise heeft om als partner snel een afgewogen oordeel te geven over de vergunningsvoorwaarden voor het starten van nieuwe activiteiten. Dit geldt zeker voor start-ups zonder in-house-expertise over regelgeving. Dat vraagt om het vroegtijdig ontwikkelen van expertise op het gebied van mogelijke nieuwe activiteiten. De internationaal onderscheidende expertise en kwaliteit van de dienstverlening van DCMR (de vergunningsinstantie voor het havencomplex) is een belangrijke vestigingsfactor.

Vestigings- en ketenkosten

De kosten voor vestiging (onder andere grondprijzen, belasting en kosten voor vergunningen) en ketenkosten (onder andere havengelden, kosten voor overslag en inspecties) zijn van belang voor een goede concurrentiepositie. Het Havenbedrijf Rotterdam monitort de kwaliteit en kosten van de nautische dienstverlening. Als daar reden voor is, treden wij sturend op in de markt.
In het kader van de havenaanloopkosten maakten wij in november 2017 samen met Deltalinqs, de Vereniging van Rotterdamse Cargadoors (VRC) en de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI) voor de tweede keer een meerjarige afspraak over een gematigde havengeldontwikkeling voor de periode 2018-2020. De tarieven stijgen de komende drie jaar met 1% per jaar. Het vastleggen van de tariefontwikkeling voor drie jaar zorgde voor helderheid in de markt. Ze gelden voor de zeehavens van Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen, Maassluis, Dordrecht en Moerdijk. Met deze tariefontwikkeling zet Rotterdam in op concurrerende tarieven met de omliggende zeehavens.
Over de inspectiekosten is in het regeerakkoord het advies van de Raad van State overgenomen, waarin is aangegeven dat de kosten voor vergunningverlening aan bedrijven mogen worden doorberekend en de kosten voor handhaving en toezicht als overheidskosten moeten worden opgevat. In het kader van het Werkprogramma Zeehavens werken de Rijkspartijen en de havensector dit punt nader uit.

Klanttevredenheid

De kwaliteit van onze dienstverlening aan klanten meten we aan de hand van de score die klanten ons geven op het gebied van tevredenheid in het klantbelevingsonderzoek (KBO). Dit doen we eens in de twee jaar. In 2016 voerden wij het laatste klantbelevingsonderzoek uit. Hierin scoorden we een 7,4 op tevredenheid. In 2012, tijdens het laatste onderzoek, scoorden we ook een 7,4.

Grondprijzen

Het bieden van een goede prijs-kwaliteitverhouding in een internationaal concurrerende markt is cruciaal. Dit geldt ook voor de grondprijzen in het havengebied, zowel voor bestaande als voor nieuwe klanten. In 2017 zat het Havenbedrijf Rotterdam met een aantal klanten in een proces om grondprijzen te herzien. Dit vindt bij langjarige gronduitgiften gebruikelijk iedere 25 jaar plaats. Bij de bepaling van de grondprijs redeneert het Havenbedrijf Rotterdam vanuit een gelijk speelveld binnen het haven- en industriecomplex en een concurrerende positie met vergelijkbare supply chains die via andere havens lopen.